KOPP/KOV: Signalen per leeftijdscategorie

Opgroeien in een gezin met een ouder die psychische problemen of een verslaving heeft, kan voor kinderen heel diverse gevolgen hebben. De signalen die op problemen wijzen uiten zich in elke leeftijdsfase anders.

Baby's (0-1 jaar) 

  • In het eerste levensjaar kunnen er hechtingsproblemen ontstaan. Een onveilige hechtingsrelatie met de ouders kan zich uiten in angstig gedrag, scheidingsangst, veel huilen, eet- en slaapproblemen.
  • Als de moeder drugsverslaafd is, kan het Neonataal Abstinentie Syndroom (NAS-syndroom) voorkomen. Daarbij ontstaan na de geboorte binnen 24 uur ontwenningsverschijnselen bij de pasgeborene. De ernst hiervan wordt bepaald door het soort drugs en de dosis. Kenmerken van het NAS-syndroom zijn onder meer hevig beven, sterke spierspanning, hoog krijsend huilen, snelle ademhaling, ademhalingsstilstanden, diarree, braken, gewichtsverlies, gestoord slaappatroon, niezen, verstopte neus en (soms) stuipen. 
  • Als een vrouw tijdens haar zwangerschap regelmatig alcohol drinkt (vijf of meer glazen per dag), dan kan haar kind het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) krijgen. Kenmerken van FAS zijn dat het kind voor en/of na de geboorte te weinig groeit en weegt, een kleiner hoofd heeft met misvormingen in het gezicht, en een aangetast centraal zenuwstelsel heeft. Later in de ontwikkeling hebben FAS-kinderen vaker last van concentratie-, taal- en geheugenproblemen. Ook is de kans op psychische problemen groter door de effecten van het alcoholgebruik van de moeder én door psychologische en sociale factoren die gerelateerd zijn aan het opgroeien in een gezin met een probleemdrinker.

Peuters (1-4 jaar)

Peuters beginnen hun eigen 'ik' te ontdekken en te ontwikkelen. Het gevoel van eigenwaarde wordt sterk beïnvloed door reacties van belangrijke anderen, dus zeker van ouders. Peuters die het moeilijk hebben kunnen de volgende signalen laten zien:

  • Ontwikkelingsachterstand op verschillende gebieden: spraak, cognitieve ontwikkeling, concentratie.
  • Gebrekkige ego-ontwikkeling: de grenzen tussen ik en de ander zijn zwak ontwikkeld.
  • Niet tot spelen komen of bizarre spelsituaties nemen (extreem angstig, agressief getint).
  • Vreemde fantasieën of extreem magisch denken onder invloed van wanen of hallucinaties van de ouder.
  • Terugval in gedrag dat bij een eerder ontwikkelingsstadium hoort: weer in de broek gaan plassen of poepen (bij kinderen die al zindelijk waren), terugval in praten, babygedrag vertonen.

Kleuters (4-6 jaar)

Voor kleuters staat het begin van de ontwikkeling van het geweten centraal. Signalen in deze fase komen voort uit gemiste ontwikkelingstaken in de eerdere fasen:

  • Problemen met naar school gaan door de (te) sterke binding met de ouder (scheidingsangst).
  • Sociale onhandigheid als gevolg van slechte voorbeeldfunctie van de ouder en ontbreken van een sociaal netwerk (gemis aan rolmodellen).
  • Ook de bij 'peuters' genoemde signalen kunnen bij kleuters voorkomen.

Basisschoolkinderen (6-12 jaar)

Rolomkering of parentificatie: het kind neemt de ouderrol op zich met alle verantwoordelijkheden. Vaak is dit het oudste kind.

  • Risico op seksueel misbruik door de andere ouder.
  • Angst door de onveilige en/of onvoorspelbare thuissituatie en/of wanen van de ouder.
  • Schuldgevoelens, zoals “Het komt door mij dat papa/mama zich zo voelt, ik ben niet lief geweest, moet beter m'n best doen”.
  • Schaamte: ontdekking dat het thuis anders is dan bij andere kinderen. Als gevolg hiervan kunnen kinderen zich terugtrekken uit sociale contacten (bijvoorbeeld geen vriendjes mee naar huis).
  • Oppervlakkige contacten met leeftijdgenoten. Contact 'verplicht' namelijk tot een zekere wederzijdsheid, waar kinderen niet aan kunnen (hechtingsproblemen) en/of willen (schaamte) voldoen.
  • Weinig vertrouwen in anderen en zichzelf.
  • Niet om kunnen gaan met emoties: kinderen kunnen zich extreem aanpassen aan de wensen van de ouder of anderen (afhankelijk gedrag), maar kinderen kunnen ook juist zeer onverschillig zijn (of doen) ten opzichte van hun ouder.
  • Psychosomatische problemen: terugkerende hoofdpijn- en buikpijnklachten, misselijkheid, slaapproblemen, eetproblemen.

Adolescenten (12-18 jaar)

Losmaking, het verwerven van autonomie en van een eigen identiteit zijn de belangrijkste ontwikkelingstaken in de puberteit. Dat kan op gespannen voet staan met de grote betrokkenheid en afhankelijkheid van gezinsleden onderling. Problemen die kinderen hierbij ondervinden kunnen zich uiten in:

  • Extreem verantwoordelijkheidsgevoel voor de ouder en/of broers en zussen. Controle door het kind van bijvoorbeeld afspraken en medicijngebruik van de ouder.
  • In zichzelf gekeerd gedrag, negatief zelfbeeld. Risico op depressie.
  • Wegloopgedrag.
  • Niet kunnen omgaan met eigen emoties. Jongeren herkennen eigen wensen en behoeften niet meer, omdat deze altijd onderdrukt zijn.
  • Moeilijkheden met het aangaan van intieme relaties.
  • Ontbreken (of uitstellen) van normale puberteitsverschijnselen.
  • Ook de bij 'basisschoolkinderen' genoemden signalen kunnen bij adolescenten voorkomen.

Volwassen (18 jaar en ouder)                                                          

  • Op volwassen leeftijd lopen kinderen van zowel ouders met psychische problemen als van ouders met een verslaving een verhoogd risico om zelf problemen met alcohol of drugs te ontwikkelen.
  • Verhoogd risico op stemmingsstoornissen, angststoornissen en (alleen bij mannen) schizofrenie. De samenhang tussen de pathologie van de ouder en die van het kind is het grootst bij kinderen van ouders met een depressie. Tweederde van de kinderen van ouders met een depressie of angststoornis ontwikkelen op latere leeftijd ook zelf een angststoornis of depressie. 
  • Kinderen van ouders met alcoholafhankelijkheid lopen meer risico op mishandeling en verwaarlozing. Bij hen komen meer dan gemiddeld depressie, eetstoornissen, gedragsstoornissen en delinquentie voor.
  • Problemen met intimiteit en zelfwaardering. Kinderen die opgegroeid zijn in een gezin met een ouder met psychische of verslavingsproblemen hebben minder communicatieve vaardigheden, een grotere kans op relatieproblemen en trouwen vaker met een zorgbehoevende persoon.