Geweld in de jeugdzorg
Dit kennisdossier gaat over geweld in de jeugdzorg en de gevolgen voor slachtoffers. We kijken eerst terug: wat is er gebeurd tussen 1945 en 2019 en hoe kon dit gebeuren? Daarna laten we zien wat de impact kan zijn voor een slachtoffer. Vervolgens richten we ons op de praktijk van nu: hoe herken je als hulpverlener signalen en hoe ga je het gesprek aan en bied je hulp.
Vragen?
Wanneer je als kind in de jeugdzorg wordt geplaatst, heb je goede zorg en veiligheid nodig. De onderzoekers van Commissie De Winter onderzochten instellingen die onder jeugdzorg vielen tussen 1945 en juni 2019. Uit het rapport Onvoldoende beschermd - Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden (2029) blijkt dat veel kinderen in pleeggezinnen en instellingen te maken kregen met geweld: lichamelijk, psychisch en/of seksueel. Veel van deze kinderen hebben daar als volwassene nog steeds last van. Een ander onderzoek ging over de instellingen van kloosterorde De Goede Herder. Veel meisjes die daar woonden, hebben nare dingen meegemaakt, vooral dwangarbeid.
Centraal Informatie- en Expertisepunt voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg
De onderzoekers van Onvoldoende Beschermd adviseerden de overheid om de hulp voor slachtoffers te verbeteren. Hiertoe werd het Centraal Informatie- en Expertisepunt voor slachtoffers van geweld in de jeugdzorg ingericht en als tijdelijk project uitgevoerd door het Trimbos-instituut (afgerond in 2024). Doel van dit Centraal Informatie- en Expertisepunt was om slachtoffers van geweld in de jeugdzorg te ondersteunen bij het vinden van hulp en hierover informatie te geven aan slachtoffers, hun naasten en zorgprofessionals.
Wat bedoelen we met 'geweld' in dit kennisdossier?
Met ‘geweld’ bedoelen we lichamelijk geweld, seksueel geweld, psychisch geweld en dwangarbeid. Het gaat om de periode vanaf 1945. Jeugdzorg heeft als doel kinderen veilig te laten opgroeien. Meestal krijgen kinderen en ouders hulp van jeugdzorg als ze er zelf om vragen. Soms is die hulp verplicht. Als het thuis bijvoorbeeld niet veilig is, of als de ouders niet goed voor hun kind kunnen zorgen. Dan kan een kind door Jeugdzorg uit huis worden geplaatst. Het kind komt dan terecht bij een instelling of een pleeggezin. In sommige gevallen kwam daar geweld voor.
In de documentaire ‘Blijvend Vertellen’ praten slachtoffers over hun ervaringen met geweld in de jeugdzorg.
Wat is er gebeurd in de jeugdzorg tussen 1945 en 2019?
In de periode tussen 1945 en 2019 zijn ongeveer 200.000 kinderen uit huis geplaatst. Een deel hiervan kwam bij de residentiële jeugdzorg terecht, een ander deel bij pleeggezinnen.
Residentiële jeugdzorg is een vorm van jeugdzorg waarbij kinderen of jongeren (tijdelijk) dag en nacht buiten hun eigen omgeving verblijven. Onder de residentiële jeugdzorg vallen gesloten (justitiële) jeugdinrichtingen (jji’s), de residentiële LVB-sector, doven- en blindeninternaten, kinder- en jeugdpsychiatrie, en opvangcentra voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s).
In de jaren 40, 50 en 60 was het aantal uithuisplaatsingen min of meer stabiel. Van de uit huis geplaatste kinderen kwam bijna twee derde in een residentiële instelling terecht, één derde in een pleeggezin.
In de loop van de jaren 60 werd kritischer naar de jeugdzorg gekeken en nam het aantal plaatsingen af. In de jaren 70 kwam de GGZggz breder beschikbaar en nam het aantal plaatsingen bij de kinder- en jeugdpsychiatrie toe.
Aan het eind van de jaren 80 laten de cijfers zien dat een kind zonder erge gedragsproblemen eerder bij een pleeggezin werd geplaatst. Langzaam nam namelijk ook het aantal plaatsingen bij gesloten inrichtingen en de jji’s toe voor de kinderen met erge gedragsproblemen.

De keuken van de Zusters van de goede herder, waar de aardappelen in de vroege morgen werden gepit en geschild en de kinderen zo nu en dan leerden stamppotten te bereiden. (© Katholiek Documentatie Centrum, Nijmegen/Oriëntatiecentrum voor Kerkelijke Roeping)
Hoeveel kinderen kregen te maken met geweld in de jeugdzorg?
Precieze aantallen zijn niet te geven. Commissie de Winter heeft in het onderzoek op een aantal manieren informatie verzameld. Dit ging over hoeveel kinderen te maken kregen met geweld in de jeugdzorg tussen 1945 en 2019. Die informatie kwam van personen (via open interviews, focusgroepen en gestandaardiseerde vragenlijsten), uit archieven en uit media en vakliteratuur.
Meldpunt
Daarnaast is er een meldpunt opgezet. Bij dit meldpunt konden mensen hun ervaringen bij jeugdzorg delen. De meeste mensen die belden, waren als kind bij jeugdzorg geplaatst. Maar er belden soms ook naasten, of ouders. Van alle melders zaten 699 als kind bij jeugdzorg tussen 1945 en 2019. Een deel van hen heeft hier geweld meegemaakt.
De meeste meldingen van geweld gingen over de residentiële jeugdzorg, de pleegzorg, de jji’s en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Enkele tientallen melders verbleven in een blindeninternaat. Er waren maar weinig meldingen van mensen met ervaringen in doveninternaten en opvanglocaties voor amv’s.
Het grootste deel van de meldingen gaat over geweld in de jaren 60 en 70. Meestal zijn het geen incidenten, maar was het geweld ernstig en langdurig. Meer dan de helft heeft het geweld als kind niet gemeld.
In de meeste gevallen stopte het geweld pas als het kind wegging of werd weggehaald. Een groot deel van de melders geeft aan dat zij in het volwassen leven nog last hebben van wat er toen is gebeurd. De slachtoffers hoopten dat zij konden helpen de jeugdzorg op een goede manier te veranderen. Dit was hun belangrijkste reden om een melding te doen.
Slachtoffers maakten het meest melding van psychisch geweld. Fysiek en seksueel geweld worden ook genoemd. In hoofdstuk 2 worden de percentages per vorm van geweld besproken.

Meisjespaviljoens van de Rekkense Inrichtingen, Gelders-End
Bevolkingsonderzoek
Ook heeft Commissie de Winter via een onderzoeksbureau bevolkingsonderzoek gedaan. Hiervoor zijn vragenlijsten verstuurd naar een groot aantal Nederlanders. 763 deelnemers hebben de vragenlijst ingevuld.
Deelnemers werden gevraagd of zij als kind in de jeugdzorg hadden gezeten. Een aantal deelnemers antwoordde daarop met ‘ja’ (1,1%). Aan hen werd gevraagd of zij daar psychisch of fysiek geweld hadden meegemaakt. Seksueel geweld werd hierbij niet uitgevraagd. Bijna een kwart van de ondervraagden (23%) geeft aan helemaal geen fysiek of psychisch geweld te hebben meegemaakt. 77% heeft dus minimaal ooit met psychisch of fysiek geweld te maken gehad. Psychisch geweld door een ander kind werd het meest genoemd (60% ooit), gevolgd door fysiek geweld door een ander kind (49% ooit). Psychisch geweld door een medewerker werd door 43% (ooit) genoemd, gevolgd door fysiek geweld door een medewerker (33% ooit). Tussen de 7% en 16% gaf aan dat zij ‘vaak tot heel vaak’ slachtoffer zijn geworden van fysiek en/of psychisch geweld.
Ging het ook goed?
Bij zowel het meldpunt als het bevolkingsonderzoek kwam naar voren dat een deel nooit te maken heeft gehad met geweld in de jeugdzorg. Sommige ondervraagden van het bevolkingsonderzoek schreven juist over positieve ervaringen.

Weg van huis: thuissituatie en de uithuisplaatsing
De kinderen kwamen na de uithuisplaatsing bij verschillende vormen van jeugdzorg terecht. Dit was bijvoorbeeld een internaat, een gesloten (justitiële) jeugdinrichting of een pleeggezin.
Een kind werd uit huis geplaatst als het daar niet veilig kon opgroeien. Of geen goede verzorging kreeg. De redenen voor een uithuisplaatsing waren verschillend. Er was sprake van:
- geweld in het gezin (fysiek, psychisch, seksueel, partnergeweld)
- tienermoederschap
- armoede
- De ouders konden niet goed opvoeden
- verslaving of psychiatrische problemen bij de ouders

Vaak waren er langdurige problemen op meerdere vlakken in deze gezinnen. Deze kinderen hadden dus al vaak heftige dingen meegemaakt vóórdat ze uit huis geplaatst werden. Voor hun veiligheid werden ze bij het gezin weggehaald en bij jeugdzorg geplaatst. Maar op de plek waar zij vervolgens terecht kwamen, was het in veel gevallen ook niet veilig.
Ook de manier waarop de kinderen bij hun gezin werden weggehaald, was in veel gevallen schadelijk voor de kinderen. Zij werden vaak plotseling weggehaald uit hun gezin, zonder dat hen iets verteld was. Ineens woonden ze in een instelling of pleeggezin, waar ze moesten blijven zonder echt te weten ‘waarom’.
Veel kinderen waren hier lang boos en verdrietig over. Achteraf vonden veel slachtoffers het nog het ergste dat hen niet was verteld waarom ze uit huis werden geplaatst.
De slachtoffers uit het onderzoek van commissie De Winter geven aan dat zij vaak zowel thuis als bij jeugdzorg geweld hebben ervaren. Maar ook de uithuisplaatsing zelf werd als geweld ervaren:
- Ze kwamen uit een omgeving die niet veilig was en waar vaak sprake was van geweld.
- De uithuisplaatsing en het niet meer zien van broers, zussen en ouders hebben de slachtoffers ervaren als geweld.
- In de pleeggezinnen en instellingen hebben velen opnieuw met geweld te maken gekregen.
Samenvatting
Kinderen kunnen uit huis geplaatst worden als het thuis niet veilig was. In sommige gevallen kwamen deze kinderen terecht in een situatie die nóg onveiliger was.
Commissie De Winter heeft onderzoek gedaan naar geweld in de jeugdzorg tussen 1945 en 2019. Het ging om fysiek, psychisch en seksueel geweld. De onderzoekers hebben deze informatie uit verschillende bronnen gehaald, waaronder een meldpunt en bevolkingsonderzoek.
Op alle plekken en in alle periodes is geweld gemeld door slachtoffers. De meeste meldingen van geweld gingen over de residentiële jeugdzorg, de pleegzorg, de jji’s en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Het grootste deel van de meldingen gaat over geweld in de jaren 60 en 70. Meestal zijn het geen incidenten, maar was het geweld ernstig en langdurig. Psychisch geweld wordt het meest genoemd.
Welk geweld de slachtoffers meldden verschilde tussen vormen van jeugdzorg. Vaak werd ook de uithuisplaatsing zelf als geweld ervaren. Dit kwam omdat de kinderen vaak plotseling, zonder reden, werden weggehaald.