De hulp voor mensen met een verslaving moet anders

de-hulp-voor-mensen-met-een-verslaving-moet-anders

Gemeenten zien mensen met een verslaving als klanten en hulpverleners als winkelier, constateert Els Bransen. Maar de verslavingszorg is geen winkel. En mensen met een verslaving gedragen zich zelden als kooplustige klant.

In Nederland zien we het graag zo: iemand heeft een probleem en gaat met een hulpvraag naar de huisarts of het Wmo-loket. Hij krijgt een diagnose of een indicatie en stelt vervolgens samen met de hulpverlener een zorg-, behandel- of begeleidingsplan op.

In deze voorstelling van zaken is de patiënt of cliënt een klant: een consument van zorg. En de hulpverlener heeft een winkel, met allerlei zorgproducten. De klant koopt dan het antwoord op zijn vraag. Logischerwijs komt de zorgwinkelier dan alleen in actie als de klant iets wil. Er zijn zelfs winkels waar geldt: u vraagt, wij draaien.

Verslavingszorg kent weinig koopzuchtige klanten

Kooplustige klanten vind je volop bij de huisarts of de cosmetische chirurg. Maar bij de verslavingszorg kom je ze weinig tegen. Soms wel hun partners, kinderen, ouders, buren en zelfs de buurtagent of buurtwerker. Maar mensen die volgens anderen overmatig drank of drugs gebruiken, ervaren zélf zelden een probleem met hun gebruik. En komen dus ook niet vaak een behandeling kopen in de winkel van de verslavingszorg. Met de bekende nadelige gevolgen voor hun eigen gezondheid en welbevinden maar ook dat van hun naasten en bredere omgeving.

Het blijkt ook wel uit de cijfers. Slechts een fractie van de mensen die overmatig gebruiken, ontvangt hulp van de verslavingszorg. En heel vaak is dat niet omdat ze daar zelf de eerste stap toe zetten. Het is daarom niet erg bevorderlijk voor de (geestelijke) volksgezondheid om mensen met middelenproblematiek de positie van klant toe te kennen en hulpverleners die van winkelier.

Geen hulpvraag, geen hulp

Dat werd mij extra duidelijk in het jaar dat ik in gemeenteland verkeerde. Ook bij gemeenten overheerst het idee van een klant met een eigen hulpvraag die uitgangspunt van zorg moet zijn.

En zo kwam ik het tegen dat er alleen verslavingsbehandeling beschikbaar bleek voor jeugd met een hulpvraag. Terwijl ouders, leerkrachten, leerplichtambtenaar en jongerenwerkers legio jongeren tegenkwamen die als gevolg van hun gebruik in de problemen waren beland. Maar die jongeren zagen geen noodzaak een hulpvraag te stellen aan de verslavingszorg, en genoemde ‘intermediairs’ waren niet in staat daar iets aan te veranderen. En dus werd het ingekochte volume aan verslavingsbehandeling maar beperkt gebruikt. Terwijl de problemen als gevolg van problematisch middelengebruik bij jongeren bleven bestaan.

Hulpvraag omgeving als startpunt

Met uitzondering van de winkelier heeft niemand moeite met mensen die winkels mijden. Maar als het gaat om mensen die zorg mijden ligt dat anders.

Daarom gaat, meer nog dan voor andere zorgsoorten, het beeld van de verslavingszorg als een winkel met klanten niet op. De verslavingszorg is geen winkel maar verleent diensten aan gemeenten, buurten, gezinnen en individuen.

Ze zou in samenspraak met haar financiers nieuwe vormen van zorg moeten ontwikkelen die de focus niet (uitsluitend) op de behandeling van individuele cliënten met een hulpvraag legt. Een vorm van zorg die de hulpvraag van mensen in de omgeving – zoals partners en kinderen maar ook huisartsen, leerkrachten of jongerenwerkers – als startpunt kan nemen.

Hulp voor kinderen van ouders met een verslaving
Kinderen van ouders met een verslaving hebben een verhoogd risico op psychische problemen en verslavingsproblemen. Met kennis van deze problematiek en preventiemaatregelen kunt u helpen voorkomen dat kinderen problemen ontwikkelen.
Zo helpt u problemen te voorkomen

Iets tussen preventie en bemoeizorg in

We kennen dit natuurlijk al in de vorm van bemoeizorg, maar die zorg wordt meestal pas geboden als het al op alle fronten mis is. We kennen het ook in de vorm van preventie, wat immers net zo goed ongevraagde zorg is. Maar preventief aanbod is vaak vrijblijvend en kortdurend. Dus iets daartussenin.

Iets waarbij steunende relaties en netwerken worden opgebouwd en versterkt. Iets waarbij hulp aan de omgeving (op termijn) het probleembesef en de motivatie voor verandering van het middelengebruik bij de gebruiker kan doen groeien. En dat ‘iets’ dan ook als hulpaanbod financieren. De verslavingszorg heeft dan niet alleen een antwoord op de hulpvraag van de zelfbewuste ‘klant’, maar ook op onuitgesproken hulpvragen die nu onbeantwoord blijven.

Heeft u ideeën over het bieden van ongevraagde verslavingszorg? Of herkent u wat ik schrijf en wilt u daar eens over doorpraten? Neem dan zeker contact met mij op.

Auteur

Els  Bransen

Stuur een bericht aan contactpersoon Els Bransen
of bel +31 (0)30 – 2959(385)

Els Bransen
Wetenschappelijk medewerker Zorg & Participatie