Middelenpreventie voor kwetsbare groepen

Op deze pagina’s vind je achtergrondinformatie bij de tool ‘Middelenpreventie voor kwetsbare groepen’. Deze tool helpt gemeenten om in de lokale gezondheidsnota meer systematisch aandacht te besteden aan kwetsbare groepen.

In de tool staan tien groepen beschreven die een grotere kans hebben op problemen door middelengebruik. Dit komt door een opstapeling van risicofactoren en afwezigheid van beschermende factoren op groepsniveau. Natuurlijk geldt dit niet voor alle personen binnen deze groepen. Maar door de verschillen op groepsniveau is het wel nodig om ervoor te zorgen dat deze groepen voldoende bereikt worden met middelenpreventie. Daarnaast kunnen er in gemeenten ook nog andere groepen zijn die extra aandacht nodig hebben. De tool helpt om deze groepen beter in beeld te krijgen en een passende preventiestrategie in te zetten. In de figuur hieronder vind je een overzicht van de groepen op de raakvlakken tussen de verschillende domeinen (sociaal, gezondheid, veiligheid en onderwijs) met links  naar aanvullende informatie en relevante bronnen.

TRI-65-086 Kwetsbare groepen in de vier domeinen

Het belang van middelenpreventie voor kwetsbare groepen

In Nederland is veel aanbod op het gebied van middelenpreventie. Toch profiteert niet iedereen hier voldoende van. Mensen met een grotere kans op (problemen door) middelengebruik worden minder goed bereikt. Zij vinden zelf ook moeilijker informatie en hulp. Hierdoor worden gezondheidsverschillen tussen groepen mensen in stand gehouden en soms zelfs vergroot.

In preventie spreekt men van een kwetsbare groep wanneer er sprake is van ongelijkheid op groepsniveau. Bij kwetsbare groepen zie je vaak een opstapeling van risicofactoren zoals stress, armoede en blootstelling aan middelengebruik door anderen. Tegelijkertijd missen vaak beschermende factoren zoals ouderlijke betrokkenheid, toezicht en vrijetijdsvoorzieningen. Dit leidt tot sociale benadeling. De mensen die tot deze groep behoren krijgen niet altijd problemen maar de kans is wel groter zonder door factoren waar zij vaak zelf geen invloed op hebben.

In 2018 en in 2019 hebben respectievelijk de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) gepleit voor een gezondheidsbeleid dat zich richt op het collectief, in plaats van het individu.

Hierbij dient men  rekening te houden met feitelijke achterstanden én met verschillen in capaciteiten. Het terugdringen van gezondheidsachterstanden is één van de vijf hoofdthema's in de Landelijke nota gezondheidsbeleid 2025-2028. Hierbij wordt gepleit voor een sterke sociale basis, het verbeteren van gezondheidsvaardigheden en inzet op verschillende domeinen die de gezondheid beïnvloeden.

In de Samenhangende preventiestrategie 2025 wordt gesteld dat er speciale aandacht is voor kwetsbare groepen omdat daar veel gezondheidswinst is te behalen. Het Integraal Zorg Akkoord (IZA) en het Aanvullende Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) uit 2025 bevatten concrete afspraken om hieraan te werken. Het AZWA heeft hierbij als expliciet doel om zorg gelijkwaardiger toegankelijk en beter bereikbaar te maken. De tool Middelenpreventie voor kwetsbare groepen helpt bij het opbouwen en onderhouden van een integrale samenwerking tussen het sociaal domein, onderwijs, gezondheid en veiligheid.

Aan de slag: preventie strategieën voor kwetsbare groepen

Met behulp van de tool bepaal je als gemeente op welke kwetsbare groepen je extra wilt inzetten. Ook heb je de professionals en netwerken rondom deze groepen in kaart gebracht. Misschien heb je al eerste werkafspraken gemaakt. Dit is een goed begin.

Om jullie verder op weg te helpen gaan we hier in op mogelijk preventief aanbod. Denk hierbij aan interventies zoals campagnes, gespreksmethodes of trainingen. Maar er zijn ook andere maatregelen en acties mogelijk. Door de groep centraal te stellen krijg je zicht op de concrete mogelijkheden.

Belangrijk:

Bespreek samen met de stakeholders wat zij kunnen bieden. Waar zijn de medewerkers in geschoold? Zijn er projecten en ervaringen ten behoeve van deze doelgroep die ook naar jouw gemeente kunnen worden vertaald?

Tips om preventie in te zetten voor kwetsbare groepen

Video met uitleg tool voor gemeenten

De tool Middelenpreventie voor kwetsbare groepen is een interactieve pdf voor beleidsmedewerkers die aan de slag willen met het ontwikkelen of verbeteren van middelenpreventie voor kwetsbare groepen. De tool helpt bij het agenderen van het thema, geeft achtergrondinformatie en beschrijft de concrete stappen die genomen moeten worden. In deze video wordt uitgelegd hoe je de tool kan gebruiken.

1. Mensen met een laag inkomen en/of afstand tot de arbeidsmarkt

Mensen met een laag inkomen of afstand tot de arbeidsmarkt hebben een grotere kans op problemen door middelengebruik. Dit kan komen door meerdere factoren zoals armoede, stress, slechtere woonomstandigheden of verveling bij gebrek aan een daginvulling.

In beleidsdocumenten wordt deze groep sinds 2022 in kaart gebracht met de SES-WOA score. Dit is een gecombineerde score die wordt bepaald door de financiële welvaart, opleidingsniveau en het recente arbeidsverleden. De SES-WOA-score verving de SES-score (sociaal-economische status) waarin onvoldoende aandacht was voor de sociale component.

2. Mensen die in een instelling verblijven

Er zijn in Nederland verschillende typen instellingen waar mensen voor korte of langere duur verblijven. Dit loopt uiteen van residentiële jeugdhulp tot verpleeghuizen voor ouderen. Maar denk ook aan de maatschappelijke opvang, detentie en opvang voor vluchtelingen.

In deze instellingen stapelen risico’s voor problemen door middelengebruik zich vaak op. Dit komt omdat het verblijf in een instelling vaak samen gaat met problemen bij de persoon zelf of in diens directe omgeving. Denk hierbij aan psychische problemen of huiselijk geweld.

Daarnaast kunnen mensen tijdens hun verblijf in aanraking komen met andere bewoners die problemen hebben en/of middelen gebruiken. Zij missen hierbij de bescherming van naasten en hun vertrouwde woonomgeving. Ook is er vaak sprake van verveling door een beperkte daginvulling in de vorm van school, werk of vrijetijdsvoorzieningen.

Tenslotte kan ook het voorbeeldgedrag van professionals onbedoeld leiden tot  middelengebruik. Bijvoorbeeld wanneer begeleiders roken samen met of in aanwezigheid van bewoners. Ook voelen professionals zich vaak handelingsverlegen in de omgang met alcohol en drugs omdat het beleid op woonlocaties niet altijd duidelijk is.

3. Mensen zonder dak of thuis

Iemand die dakloos is heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en ook geen adres om te wonen of te logeren. Iemand die thuisloos is wisselt steeds van onderdak of woonplaats.

Het ontbreken van een dak of thuis maakt mensen kwetsbaar voor problemen door middelengebruik. Naast bijvoorbeeld de psychische of financiële problemen die samenhangen met het leven zonder dak of thuis spelen hierbij ook blootstelling aan middelengebruik door anderen op straat of in de opvang een rol. Daarnaast is er vaak een gebrek aan daginvulling en toekomstperspectief.

4. Jongeren die spijbelen, thuiszitten of voortijdig school verlaten

Jongeren zijn leerplichtig tot 16 jaar. Daarna geldt een kwalificatieplicht: met uitzondering van jongeren die praktijkonderwijs gevolgd hebben moet iedereen een startkwalificatie behalen in de vorm van een diploma havo, vwo of mbo (niveau 2 of hoger).

Spijbelen komt vaker voor bij kinderen uit onvolledige gezinnen en bij gezinnen met hogere welvaart. Regelmatig spijbelen kan leiden tot voortijdig school verlaten (vsv). Dit houdt in dat een leerling voor zijn/haar 23ste de school verlaat zonder startkwalificatie en niet doorstroomt naar een andere opleiding.

Daarnaast zijn er ook langdurig thuiszitters die langer dan drie maanden ongeoorloofd niet naar school zijn geweest.  Het aantal langdurige thuiszitters stijgt de laatste jaren. Dit hangt volgens scholen samen met moeilijkheden in de omgang en gedragsproblemen bij leerlingen. Ook overbelasting van de ouders of stress en problemen in de thuissituatie spelen een rol.

Deze opstapeling van factoren maakt ook de kans op problemen door middelengebruik bij deze jongeren groter.

5. Leerlingen VMBO-b, praktijkonderwijs en cluster-4 onderwijs

Het verband tussen middelengebruik en schooltype ligt genuanceerd, het verschilt per middel en per specifiek schooltype. Ook wordt in het praktijkonderwijs en het speciaal onderwijs het middelengebruik minder vaak gemonitord waardoor ontwikkelingen minder goed te volgen zijn. In het algemeen geldt wel dat het middelengebruik op het VMBO-b, het praktijkonderwijs en het cluster-4 onderwijs iets hoger ligt dan in andere vormen van onderwijs.

6. Mensen die in aanraking komen met politie of justitie

Bij strafbaar gedrag zoals een overtreding ( vandalisme of dronkenschap) of een misdrijf (diefstal met geweld, mishandeling) komen mensen in aanraking met politie of justitie.

Tot 12 jaar worden jongeren niet strafrechtelijk vervolgd. Wel kan de politie ‘optreden’, zoals aanhouden en verhoren en wordt er bij een misdrijf een zorgmelding gedaan. Jongeren tussen de 12 en 18 jaar kunnen een Halt-afdoening krijgen of worden vervolgd volgens het jeugdstrafrecht. Zij kunnen dan een geldboete, taakstraf of jeugddetentie krijgen opgelegd. Vanaf 18 jaar is het volwassenrecht van toepassing, al wordt er tot 23 jaar wel rekening gehouden met het ontwikkelingsniveau (adolescentenstrafrecht). Volwassenen kunnen een boete, taakstraf of gevangenisstraf krijgen. Bij een psychische stoornis, een verstandelijke beperking of een verslaving kan de rechter bepalen dat iemand forensische zorg moet krijgen.

Er is veel overlap tussen de risico- en beschermende factoren voor problemen door middelengebruik en die voor crimineel gedrag. Dit maakt dat problemen door middelengebruik bij deze groep ook vaker voorkomen. Daarnaast komen mensen door de justitiële maatregelen en detentie ook vaker in aanraking met andere mensen die problemen hebben door middelengebruik.

De laatste jaren is er meer aandacht voor jongeren die betrokken raken bij ondermijnende criminaliteit zoals drugshandel waarbij met name gekeken wordt naar sociaal-economische problemen in een wijk en de aanwezigheid van criminele structuren.

7. Kinderen van ouders met psychische problemen of een verslaving

Kinderen die opgroeien in een gezin met een ouder met psychische problemen of een verslaving hebben zelf ook een grotere kans op psychische problemen of problemen door middelengebruik. Zij geven per leeftijdsfase verschillende signalen af die op problemen kunnen wijzen. Professionals rondom het kind (jeugdgezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, jeugdhulp) kunnen deze signalen oppakken. Ook in de zorg rond de betreffende ouder (GGZ, verslavingszorg, wijkteam) is het belangrijk om een kindcheck te doen en alert te zijn op eventuele problemen in de opvoeding. Hierbij is het belangrijk dat er een sociaal vangnet is rondom het gezin.

8. Mensen met een licht verstandelijke beperking

Mensen die licht verstandelijk beperkt zijn (IQ-score tussen 50 en 70) of zwakbegaafd (IQ-score tussen 70 en 85) hebben een grotere kans op problemen door middelengebruik. Deze problemen komen niet direct voort uit de verstandelijke beperking zelf maar door beperkingen in het sociaal aanpassingsvermogen en de bijkomende risico’s en problemen bij deze doelgroep. Zij worden vaak overvraagd op school, op het werk en in het dagelijkse contact met mensen of instanties. Dit kan leiden tot faalervaringen, frustratie en een negatief zelfbeeld. Dit vergroot weer de kans op psychische en/of  gedragsproblemen, schooluitval, eenzaamheid, schulden en verslaving.

9. Mensen met psychische problemen

De mentale gezondheid in Nederland lijkt de laatste jaren steeds verder af te nemen. Steeds meer jongeren en volwassenen hebben mentale problemen of een psychische aandoening.

Psychische aandoeningen komen vaker voor bij meisjes/vrouwen, jongvolwassenen en volwassenen met basisonderwijs, lbo, mavo of vmbo als hoogst afgeronde opleiding. Ook onder mensen die alleenstaand zijn, geen betaald werk hebben, een lager inkomen hebben of in de stad wonen komen psychische problemen vaker voor.

Het zorggebruik voor psychische problemen is de afgelopen jaren toegenomen. Toch is er ook nog een onvervulde zorgbehoefte van mensen die (meer) professionele hulp willen maar dit nog niet hebben gezocht.

Mentale gezondheid en middelengebruik kunnen een wederkerige werking hebben. Door middelengebruik kan de mentale gezondheid achteruit gaan. Andersom is bij psychische problemen de kans op problemen door middelengebruik groter. Bijvoorbeeld wanneer middelengebruik wordt ingezet als copingmechanisme.

10. Mensen die werken onder zware arbeidsomstandigheden

Er lijkt een verband te zijn tussen middelengebruik en factoren op het werk. Toch is dit verband laag en kunnen hier ook andere factoren in meespelen. Een werknemer heeft meer kans om problemen met middelen te krijgen als diegene veel stress ervaart. Die stress kan veroorzaakt worden door lange werkdagen, hoge werkdruk, te lage beloning, onregelmatige werktijden, eenzijdig werk, zwaar fysiek werk en baanonzekerheid. Maar ook het middelengebruik zelf kan voor (meer) stress zorgen.

Ook het meemaken van heftige gebeurtenissen, de beschikbaarheid van alcohol, drugs of medicatie op het werk en de houding dat het ‘erbij hoort’ vergroten de kans op problemen.

Sectoren als de horeca, bouw, landbouw, visserij en cultuur worden genoemd als risicosectoren voor problemen door middelengebruik bij werknemers.