De verschijnselen van ADHD bij kinderen en jeugdigen hebben te maken met aandachtsproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit.
Volgens de DSM-IV heeft iemand in de leeftijd van 4 tot 16 jaar ADHD als hij/zij zes of meer van de volgende aandachtsproblemen vaak (de meeste dagen van de week) heeft:
- Onvoldoende aandacht voor details of achteloos fouten maken.
- Moeite om de aandacht bij taken of spel te houden.
- Niet lijken te luisteren.
- Aanwijzingen niet opvolgen of opdrachten niet kunnen afmaken.
- Moeite met organiseren van taken.
- Vermijden of afkeer hebben van taken die langdurige geestelijke inspanning vragen.
- Dingen kwijt raken die nodig zijn voor taken.
- Gemakkelijk afgeleid worden.
- Vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden.
Iemand heeft ook ADHD als hij of zij zes of meer kenmerken van hyperactiviteit of impulsiviteit vaak (de meeste dagen van de week) heeft.
De kenmerken van hyperactiviteit zijn:
- Onrustig bewegen met handen en voeten of draaien op zijn of haar stoel.
- Opstaan als zitten blijven verwacht wordt.
- Rondrennen of overal op klimmen als dit ongepast is.
- Moeilijk rustig kunnen spelen of ontspannende activiteiten uitvoeren.
- In de weer zijn of maar doordraven.
- Aan een stuk door praten.
De kenmerken van impulsiviteit zijn:
- Het antwoord eruit gooien voordat de vragen afgemaakt zijn.
- Moeite hebben met op de beurt wachten.
- Verstoren van bezigheden van anderen.
Bovenstaande symptomen als rusteloosheid, impulsiviteit en gebrek aan concentratie komen bij veel kinderen in verschillende gradaties voor. De diagnose ADHD is op te vatten als het uiterste eind van een continuüm. [2]
- Volgens de DSM-IV heeft iemand ADHD als deze symptomen ten opzichte van leeftijdsgenoten overmatig aanwezig zijn gedurende ten minste zes maanden waardoor het dagelijks functioneren wordt belemmerd.
- Ook moeten enkele symptomen al voor het zevende levensjaar aanwezig zijn geweest.
De diagnose ADHD wordt bij volwassenen alleen gesteld als deze persoon als kind al aan ADHD leed, en dat sindsdien heeft gedaan. Sommige diagnostische criteria in de DSM-IV, zoals ‘overal inklimmen’ passen minder goed bij volwassenen, en moeten bij volwassenen anders worden omschreven, bijvoorbeeld als innerlijke onrust. [3]