Stoppen met roken: signalering en advisering

Iedere zorgverlener zou moeten weten of zijn patiënt rookt. Dit staat ook omschreven in de Zorgstandaard Tabaksverslaving: “De taak van de zorgverlener is om, daar waar mogelijk, te vragen of iemand rookt en de patiënt te adviseren om te stoppen met roken.”

De Zorgstandaard beveelt aan om de rookstatus van de patiënt vast te leggen in het dossier. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: roker / stopper / ex-roker / nooit-roker. Met ‘stopper’ wordt bedoeld een ex-roker die korter dan een jaar rookvrij is. Met ‘ex-roker’ wordt bedoeld iemand die ten minste een jaar geen tabaksproducten meer gebruikt maar dit voorheen wel heeft gedaan. Houd er rekening mee dat e-sigaretten ook gebruikt worden; voor het vastleggen hiervan kan een aantekening bij de rookstatus worden gezet.

Volgens de huidige richtlijnen moet iedere patiënt die rookt een stopadvies krijgen, ongeacht de motivatie van de patiënt om te stoppen met roken. De kans dat een patiënt uit zichzelf stopt is 2-3%; een stopadvies van een zorgverlener kan deze kans maar liefst verdubbelen

Zorgstandaard Tabaksverslaving

Een zorgstandaard beschrijft de norm waaraan de zorg voor mensen met een bepaalde ziekte moet voldoen. In de Zorgstandaard Tabaksverslaving wordt dus beschreven waaraan de zorg voor tabaksverslaving aan moet voldoen. Deze Zorgstandaard heeft een bijzondere positie, omdat stoppen met roken niet alleen bij meerdere lichamelijke en psychische chronische aandoeningen en andere verslavingen van groot belang is, maar ook bij mensen die (nog) geen chronische aandoening hebben. Stoppen met roken is voor iedere roker van belang.