Er zijn 5 typen specifieke fobie: dierfobie, fobie voor de natuurlijke omgeving, bloed-, injectie- en letselfobie, situationele fobie en andersoortige fobie.
-
Dierfobie: angst voor dieren of insecten.
-
Fobie voor de natuurlijke omgeving: angst voor een object in de natuur, zoals storm, hoogten of water.
-
Bloed-, injectie- en letselfobie: angst voor het zien van bloed of een wond, voor het krijgen van een injectie of voor het ondergaan van andere invasieve medische technieken (technieken waarbij een medisch instrument een orgaan wordt ingebracht).
-
Situationele fobie: angst voor een specifieke situatie, zoals openbaar vervoer, tunnels, bruggen, liften, vliegen, autorijden of afgesloten ruimten.
-
Andersoortige fobie: angst voor andere prikkels, zoals voor situaties die zouden kunnen leiden tot benauwdheid, overgeven of een ziekte. 'Ruimte fobie' is de angst om neer te vallen wanneer men niet meer in de buurt is van muren of andere fysiek steungevende middelen.
Mensen met een specifieke fobie hebben meestal meer subtypen tegelijk. Meer dan de helft met een specifieke fobie heeft meer dan één angst.[2] Eén op de zeven mensen heeft zelfs vier of vijf angsten.[3] Van de volwassenen met een specifieke fobie heeft:[3]
- ⅓ angst voor dieren
- ⅔ angst voor natuurverschijnselen
- ⅓ angst voor bloed
- ongeveer 40% angst voor situaties, zoals tunnels en liften
- ongeveer 40% een andere angst.
Een onredelijke angst is maar één van de criteria voor de diagnose specifieke fobie. De helft van alle volwassenen heeft ooit last gehad van een van bovenstaande onredelijke angsten. Van hen voldeed maar een kwart aan alle diagnostische criteria voor de specifieke fobie.[2]