De meest voorkomende vorm van dementie is de ziekte van Alzheimer. Naar schatting lijdt 60 tot 70% van de mensen met dementie aan deze vorm.
De ziekte van Alzheimer is een aandoening van de zenuwcellen van de buitenste laag van de grote hersenen, de zogeheten hersenschors. In de hersenschors vindt tijdelijke, kortdurende opslag van informatie plaats.
Daarnaast vinden hier processen plaats die ervoor zorgen dat mensen allerlei complexe en intellectuele functies kunnen uitvoeren. Zoals spreken, schrijven, lezen, rekenen, autorijden, gezichten herkennen. Ook zorgt de hersenschors ervoor dat mensen in staat zijn ingewikkelde problemen op te lossen, initiatieven te nemen en te plannen.
Het gevolg van de schade aan de hersenschors is dat mensen met de ziekte van Alzheimer de genoemde functies niet meer goed kunnen verrichten. Op een gegeven moment kunnen zij zich niet zelfstandig meer redden in het dagelijks leven.
De ziekte van Alzheimer begint meestal tussen de 70 en 80 jaar, maar kan ook op jongere leeftijd beginnen. Het beloop van de ziekte kan per persoon verschillen wat betreft de aard, de ernst en het tempo van het proces.
Over het algemeen ontwikkelt de ziekte zich heel geleidelijk. Hierdoor wordt het begin vaak niet opgemerkt. Als de ziekte vordert worden de verschijnselen duidelijker. Ook wordt de persoon steeds afhankelijker van zijn of haar omgeving. Mensen met de ziekte van Alzheimer worden vaak angstig en onzeker door het verlies van zelfstandigheid en controle.
Beloop ziekte van Alzheimer
Beginfase
Aan het begin van het ziekteproces ontstaan er problemen met het korte termijn geheugen. Het leren van nieuwe informatie en onthouden van iets dat men net gezien of gehoord heeft wordt steeds moeilijker.
Ook kunnen karakterveranderingen plaatsvinden. Iemand wordt bijvoorbeeld agressief of achterdochtig of raakt wat meer in zichzelf gekeerd.
Middenfase
Naarmate de ziekte vordert komen er ook stoornissen in het lange termijngeheugen. Naast moeite om nieuwe informatie aan te leren verdwijnt ook kennis die al langer in het geheugen was opgenomen. Verder krijgt de persoon last van:
- oriëntatiestoornissen
- afasie
- agnosie
- apraxie
- stemmingswisselingen
- lichamelijke problemen
- problemen met logisch denken
Eindfase
De persoon met dementie is nu bijna geheel afhankelijk van de omgeving. Praten lukt vaak niet meer en men wordt bedlegerig. De onrust die in eerder fases voorkomt is meestal verdwenen. Ook verliest men de controle over het lichaam en soms is er sprake van epilepsieachtige verschijnselen. [1]