Of een kind ODD of CD ontwikkeld is voor de helft genetisch bepaald. Omgevingsfactoren spelen verder een belangrijke rol.
Individuele kwetsbaarheid
Of een kind gedragsproblemen krijgt of een gedragsstoornis ontwikkelt, is voor een belangrijk deel erfelijk bepaald. Als kinderen zich antisociaal of agressief gedragen, dan kan dat voor ongeveer de helft aan de genen worden toegeschreven. Meerdere genen zijn in het spel. Genen op chromosoom 2 en 19 zouden een rol spelen bij agressief en impulsief gedrag van kinderen. Uit tweelingonderzoek blijkt dat in bepaalde families gedragsproblemen en -stoornissen vaker voorkomen. Genen beïnvloeden algemeen functioneren, gedragsproblemen en het cortisolniveau.
Neurotransmitters
Neurotransmitters blijken een rol te spelen bij het ontstaan van gedragsproblemen of -stoornissen.
- Noradrenaline. Kinderen met een gedragsstoornis hebben een verminderde noradrenaline functie doordat ze meer van het enzym dopamine-beta-hydroxylase hebben dat dopamine omzet in noradrenaline
- Serotonine. Impulsieve agressiviteit, grote spanningsbehoefte, beperkte schrikreactie en een gebrek aan angst hangen (ook) samen met verlaagde serotonine-niveaus in de hersenen. De resultaten zijn bij kinderen die zich agressief en antisociaal gedragen, niet eenduidig; soms worden verhoogde, soms verlaagde serotonine-niveaus gevonden
- Mono-amino-oxidase-A. Mono-amino-oxydase-A (MAO-A) is betrokken bij de afbraak van serotonine en (nor)adrenaline. Kinderen met CD hebben een lage MAO-A activiteit. De kans dat de stoornis zich openbaart wordt vergroot als er naast een lage MAO-A activiteit ook negatieve omgevingsinvloeden aanwezig zijn in het leven van het kind.
Hormoonspiegels
- Cortisol. Onderzoek onder jongens van 12 tot 14 jaar die voor het eerst opgepakt zijn voor een licht vergrijp, laat zien dat zij relatief weinig stresshormoon (lage cortisolspiegel) in hun speeksel hebben. Cortisol is een hormoon dat in concentratie toeneemt als iemand stress ervaart. Stressongevoelige mensen vertonen mogelijk sneller crimineel gedrag omdat ze weinig angst hebben voor negatieve consequenties. Een andere mogelijke verklaring voor de lage cortisolspiegel is dat stressongevoelige mensen crimineel gedrag vertonen omdat zij op zoek gaan naar prikkels die zij doorgaans missen
- Testosteron. Bij jongens wordt gekeken naar de invloed van testosteron op agressief gedrag. Mannelijke hormonen (testosteron) lijken echter geen rol te spelen bij het ontstaan van een gedragsstoornis. Wel is aangetoond dat jongens zich agressiever, ongeduldiger en geïrriteerder gedragen als ze een hoog testosteron niveau hebben. In Nederlands onderzoek werd beschreven dat er alleen een verband is tussen de hoogte van de testosteronspiegel en fysieke agressie als er tegelijkertijd sprake is van een lage cortisolspiegel. Is de cortisolspiegel hoog, dan lijkt de invloed van testosteron verwaarloosbaar.
Hersenafwijkingen
Hersenafwijkingen kunnen een rol spelen bij het ontstaan van een gedragsstoornis bij kinderen. De frontaalkwab van de hersenen van criminele kinderen en adolescenten met een gedragsstoornis is kleiner dan die van kinderen die geen gedragsproblemen hebben. In de frontaalkwab bevinden zich de hogere cognitieve functies, zoals zelfbewustzijn, verantwoordelijkheidsgevoel, vermogen tot planning en gedragsregulatie.
Omgevingsfactoren
Een (combinatie van een) aantal omgevingsfactoren vergroot de kans dat een jongere een gedragsstoornis ontwikkelt. De kans vergroot bij alcohol- en drugsmisbruik ouders, huwelijksproblemen van de ouders, crimineel gedrag ouders en grote gezinnen (veel broertjes en zusjes).
Er is ook een aantal factoren dat nadere uitleg behoeft.
Socio-economische status
Kinderen met CD of ODD wonen vaker in dichtbevolkte arme criminele buurten, maar de buurt maakt niet dat deze kinderen gedragsproblemen krijgen. Zo wonen alleenstaande ouders vaker in arme buurten, zijn de huizen verwaarloosd en wonen er gezinnen waar familieleden onderling weinig steun geven aan elkaar. Deze factoren hebben alleen invloed als ook andere risicofactoren aanwezig zijn.
Psychiatrische problemen van de ouders
Moeders van kinderen met CD of ODD hebben vaker een depressie in engere zin, een somatisatiestoornis of alcoholmisbruik. Vaders van kinderen met een gedragsstoornis zijn zelf vaak ook agressief of hebben een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Roken en stress tijdens de zwangerschap
Moeders die roken tijdens hun zwangerschap hebben meer kans op een kind met CD. Roken door de moeder tijdens de zwangerschap bleek samen te hangen met ruim tweemaal zoveel gewelddadig gedrag van het kind op volwassen leeftijd. Maar prenatale invloeden alleen maken niet dat kinderen CD krijgen. Deze factoren hebben alleen invloed als ook andere risicofactoren aanwezig zijn.
Lichamelijke kindermishandeling
Kinderen die in hun jeugd lichamelijk mishandeld en/of verwaarloosd zijn hebben een grotere kans op gedragsproblemen en crimineel gedrag als volwassene. Een stressfactor als mishandeling kan de ontwikkeling van de hersenen schaden, vooral in combinatie met een genetische gevoeligheid om een gedragsstoornis te ontwikkelen. Geschat wordt dat een kwart van de mishandelde en verwaarloosde kinderen uiteindelijk crimineel wordt.
Negatieve ouder-kind interactie
Gedragsproblemen bij kinderen kunnen toenemen als ouders te streng zijn (harde discipline), weinig steun geven en weinig betrokken zijn bij hun kinderen, als ouders zich agressief gedragen en niet consequent handelen als een kind zich dwingend gedraagt. Voor een ouder kan het moeilijk zijn om met een kind met gedragsproblemen om te gaan. Kinderen met een gedragsstoornis kunnen minder goed dan andere kinderen:
- Hun emoties beheersen
- Wachten totdat wensen en/of behoeften vervuld worden
- Omgaan met frustraties
- Verschillende oplossingen bedenken voor een probleem
- Ze denken gauw dat ze door anderen uitgedaagd worden.
Moeilijk gedrag van een kind kan woede uitlokken bij een ouder, die met harde discipline probeert het gedrag van het kind te beteugelen. Na verloop van tijd wordt deze aanpak minder effectief en mist zij het gewenste effect. Het draagt zelfs bij aan het ontstaan van meer gedragsproblemen. Harde discipline vergroot de kans dat een kind later gedragsproblemen ontwikkelt of crimineel wordt. Gedragsproblemen kunnen zich voordoen als een leraar niet consequent is, te streng is (harde discipline) en onvoldoende oog en waardering heeft voor positief gedrag van een kind. Maar deze factor alleen maakt niet dat kinderen CD krijgen. Het heeft alleen invloed als ook andere risicofactoren aanwezig zijn.
Beschermende factoren
Niet alle kinderen en adolescenten die aan meerdere risicofactoren worden blootgesteld, ontwikkelen een gedragsstoornis. En lang niet alle kinderen en adolescenten met een gedragsstoornis ontwikkelen later een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
De invloed van risicofactoren kan worden gecompenseerd door beschermende factoren. Een kind dat in armoede opgroeit, ouders met psychiatrische problemen heeft en een moeilijke thuissituatie heeft, hoeft geen gedragsstoornis te ontwikkelen als er 1 of meer beschermende factoren aanwezig zijn:
- Bovengemiddelde intelligentie en sociale vaardigheden
- Een goed ontwikkeld aanpassingsvermogen (veerkracht)
- Hechte relatie met tenminste één gezinslid of ouder
- Hechte relatie met iemand buiten het gezin (bijvoorbeeld iemand van de kerk of een leerkracht)
- Sterke relatie met vrienden die geen antisociaal gedrag vertonen
- Succesvol een opleiding volgen
- Gezond gevoel van eigenwaarde.