Mijn Trimbos Wat is Mijn Trimbos?

Effectiviteit

Beleid voor geestelijke gezondheid(szorg) is liefst gebaseerd op feitelijke informatie. Het Trimbos-instituut stelt daarom tweejaarlijks de zogenoemde trendrapportages GGZ op. Deze monitoren de sector GGZ als geheel.

Aan de hand van prestatie-indicatoren wordt hier samenvattend een beeld gegeven van de effectiviteit in de GGZ. Er kan nog geen allesomvattende uitspraak gedaan kan worden over dé effectiviteit van de geestelijke gezondheidszorg. Over lang niet alle 11 indicatoren zijn immers landelijke gegevens beschikbaar. Hier vindt u feiten en cijfers gepresenteerd uit diverse bronnen over 8 van de 11 prestatie-indicatoren:

Belangrijkste ontwikkelingen
Het aantal GGZ-cliënten met verbeterde GAF-score na behandeling neemt gestaag toe. De GGZ slaagt erin de meerderheid van de cliënten in behandeling te houden. De somatische screening van GGZ-cliënten kan verder geprofessionaliseerd worden. Steeds meer GGZ cliënten ontvangen nazorg na ontslag uit kliniek.

Ernst problematiek

  • 70% van de volwassen GGZ-cliënten vindt dat zij door de behandeling of begeleiding meer greep krijgen op hun problemen.
  • 19% vindt dat ze door de behandeling of begeleiding niet beter om kunnen gaan met hun beperkingen.
  • 66% van de cliënten vindt dat zij voldoende vooruitgaan.
  • 21% stelt dat er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt.

TRG_Deel_3-tabel-21

Dagelijks functioneren

Jeugd

  • Bij 40% van de jeugd-cliënten verbetert het dagelijks functioneren tussen het begin en het einde van de behandeling. De meeste verbeteringen zijn te zien bij jeugdigen met angst- en stressgebonden stoornissen.
  • Bij 54% vindt stabilisatie plaats.
  • 88% van de cliënten met een cognitieve of organische stoornissen stabiliseert.
  • 80% van de cliënten met stoornissen door alcohol en drugs stabiliseert.

Volwassenen

  • 32% van de cliënten ervaart verbetering in het dagelijks functioneren. De grootste verbeteringen zijn bij angst- en stressgebonden stoornissen, stemmingsstoornissen en bij stoornissen in ontwikkeling en gedrag.
  • 73% van de cliënten met cognitieve en organische stoornissen en stoornissen door alcohol en drugs stabiliseert.

Ouderen

  • 22% van de cliënten verbetert na afsluiting in het dagelijks functioneren. Verbetering komt het vaakst voor bij cliënten met stemmingsstoornissen.
  • 17% verslechtert na de behandeling in het dagelijks functioneren. Het circuit ouderen heeft hiermee het hoogste percentage.
  • Vooral bij cognitieve en organische stoornissen (dementie) is de minste verbetering.
  • 68% van de cliënten stabiliseert.
  • 22% verslechtert na afloop van de behandeling.

Beschermd wonen

  • Stabilisatie komt hier het meest voor; een logisch gevolg van de chroniciteit van de problematiek van de doelgroep.

TRG_Deel_3-tabel-24

Kwaliteit van leven
Er is geen landelijk beeld van deze prestatie-indicator te maken. Hieronder staan zijn beperkte waarnemingen.

Beschermende woonvormen
Cliënten van Beschermende Woonvormen zijn redelijk tevreden over hun kwaliteit van leven in vergelijking met cliënten van andere zorgvormen. Ze scoren relatief hoog op de psychisch functioneren, huisgenoten en sociale relaties. Punten van aandacht: (het gebrek aan) intieme contacten en financiën. (Kleinschalig onderzoek door het Rob Gielcentrum).

Ambulante woonbegeleiding
Voor mensen met ambulante woonbegeleiding geldt ongeveer hetzelfde, maar zij zijn wel tevreden over hun woonomstandigheden.

Psychiatrische thuiszorg
In de Psychiatrische thuiszorg zijn veel minder cliënten positief over de kwaliteit van hun leven, vooral niet over hun gezondheid, dagelijkse bezigheden en veiligheid; en juist wel over financiën.

Multifunctionele eenheid
Cliënten van een multifunctionele eenheid scoren hoog op wonen en psychisch functioneren en laag op gezondheid en intieme relaties.

 

TRG_Deel_3-tabel-25

Drop-out

  • Drop-out-cijfers variëren tussen 20 en 80%.
  • Het aantal eenzijdig beëindigde behandelingen door de cliënt - tegen het advies van de behandelaar in - varieert van 15% in het circuit volwassenen en beschermd wonen tot 5% in het circuit ouderen (2006).
  • Cliënten die stoppen, hebben andere verwachtingen dan cliënten die doorgaan.
  • Cliënten die stoppen, wijzen vaak op externe omstandigheden en op patiëntgebonden factoren (ontevredenheid over de behandeling en de opvatting dat hulp niet langer nodig was bijvoorbeeld).

Risicogroepen
Verhoogd risico hebben:

  • Mensen met een lage sociaal-economische status
  • Jongeren
  • Alleenstaanden
  • Mensen met negatieve opvattingen over de behandeling

Somatische screening
50% van alle GGZ-instellingen en 71% van de geïntegreerde GGZ-instellingen heeft een standaardprocedure (of -protocol) voor de screening op somatische aandoeningen. Instellingen zijn volop bezig met de implementatie van maatregelen om aan de kwaliteitseisen te voldoen. Er zijn grote verschillen per instelling. In 2004 werd somatische comorbiditeit geregistreerd door een zeer klein percentage van de APZ’en en geïntegreerde GGZ- instellingen met tenminste een klinische GGZ-functie. 90% heeft wel een protocol voor somatische screening.

Gebruik behandelrichtlijnen
De GGZ raakt in toenemende mate bekend met het gebruik van de multidisciplinaire richtlijnen. Bij enkele beroepsgroepen (bijvoorbeeld psychiaters) zijn de richtlijnen inmiddels deel uit van het basiscurriculum.

Doorbraak
De eerste implementatieresultaten van de zogenoemde Doorbraakprojecten zijn bemoedigend. Deze doorbraakprojecten moeten de multidisciplinaire richtlijnen implementeren.


Bemoeizorg

Teams
In alle regio's in Nederland zijn OGGZ-samenwerkingsverbanden actief om sociaal kwetsbare mensen te signaleren en toe te leiden naar bemoeizorg. Er werken vaak meerdere bemoeizorgteams in 1 regio. Deze bestaan vaak uit verschillende typen teams. Nederland heeft ongeveer 88 teams bemoeizorg.

Omvang en bereik
Het is nog onduidelijk hoeveel mensen via bemoeizorg in de reguliere GGZ terechtkomen. Cliënten worden op dit moment nog per bemoeizorgteam geregistreerd. Dit maakt centrale tellingen ingewikkeld. Naar schatting hebben jaarlijks ongeveer 24.000 mensen met ernstige psychiatrische problemen geen of slechts incidenteel contact met de hulpverlening. Hiervan zitten naar schatting 8.000 mensen in acute nood, zonder dat zij hulp krijgen.

Zorg na klinisch ontslag
De meeste klinische cliënten hebben nazorg nodig (ambulant of deeltijd) om verder herstel te bevorderen en terugval te voorkomen. Ter illustratie: ongeveer 25% van alle suïcides vindt plaats in de periode na ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis. Het totaal aantal cliënten dat ontslagen wordt uit de kliniek nam tussen 1990 en 1999 gestaag af. Het percentage cliënten zonder enige vorm van zorg in de eerste 6 maanden na ontslag neemt af van 26,5 tot 19,2. De meeste nazorg wordt geleverd door ambulante instellingen. Er is wel een afname: 56,8% in 1990/1991 ; 47,9% in 1998/1999. Het percentage hernieuwde opnames is stabiel: 9,4% in 1990/1991; 9,7% in 1998/1999. Thuisbehandeling en dagbehandeling namen toe met respectievelijk 7,3 en 8,7%.

 

TRG_Deel_3-tabel-28

 

laatst bijgewerkt: 11-02-2011